De complexiteit van testen vraagt om nauwe samenwerking

01-06-17

 

Dit artikel is gepubliceerd als onderdeel van Smart Mobility Stories #5.

Slimme apps, connected en coöperatieve systemen, zelfrijdende voertuigen. Diverse ontwikkelingen op het gebied van smart mobility volgen elkaar in razend tempo op. In de experimenteerfase lopen deze ontwikkelingen vaak parallel aan elkaar. Maar in het stadium van implementatie komen ze bij elkaar en moeten ze in één mobiliteitssysteem functioneren. Daar is dan wel eerst veel afstemming en testwerk voor nodig. En dat kan alleen in nauwe samenwerking.

Joëlle van den Broek, manager bij DITCM Innovations: ‘Voor alle innovatieve ontwikkelingen op het gebied van smart mobility geldt dat de functionaliteit natuurlijk moet worden aangetoond. We zien dan ook veel pilots, waarbij één applicatie wordt getest. Maar we gaan naar een situatie waarin meerdere applicaties en verschillende technologieën, die zich ook nog in verschillende stadia van readiness bevinden, tegelijk moeten worden getest. Straks gaan ze immers tegelijk in één systeem functioneren.’

 

Testvraagstukken worden multidimensionaal

Dat is complex, omdat testvraagstukken volgens Joëlle multidimensionaal zijn geworden. ‘Het gaat bij testen eigenlijk niet eens zozeer om de techniek. Het gaat ook om de organisatie, de veiligheid en het feit dat er diverse applicaties, brands en gebruikers betrokken zijn. Zo willen we bijvoorbeeld weten hoe de weggebruiker reageert op nieuwe ontwikkelingen of welke afspraken we moeten maken op het gebied van standaardisering en wet- en regelgeving om mobiliteitssystemen te laten functioneren. De complexiteit van testen vraagt om nauwe samenwerking.’

Arjan van Vliet, senior adviseur bij de Dienst voor het Wegverkeer (RDW), bevestigt dat. ‘De in massa geproduceerde voertuigen van vandaag kunnen op alle wegen rijden met bestuurders die de juiste vaardigheden hebben. De testvoertuigen kunnen vaak maar op een bepaald stuk weg rijden met een bestuurder die speciaal daarvoor is opgeleid. Bij bijvoorbeeld truck platooning, waarbij twee of drie trucks via wifi met elkaar zijn verbonden, weten andere weggebruikers ook nog eens niet wat hen overkomt, op het moment dat ze willen uitvoegen en er juist een platoon langsrijdt. De ontheffingsprocedure voorziet daarom in afstemming tussen de wegbeheerder en eventuele andere experts, zoals SWOV (wetenschappelijk onderzoek verkeersveiligheid). De wet heeft de RDW aangewezen om dit te coördineren.’

 

Gescheiden werelden

Dirk-Jan de Bruijn, directeur van de Innovatiecentrale: ‘De complexiteit zit ’m ook in het feit dat automotive, infrastructuur, telecom en verkeersmanagement werelden zijn die traditioneel gescheiden van elkaar opereren. Ze werken niet alleen aan verschillende technologische oplossingen, maar kennen ook nog eens verschillende ontwikkelculturen. Bovendien is de levenscyclus van hun toepassingen zeer divers. Zo wordt een portaal boven de weg voor 30 jaar ontwikkeld, terwijl je een app op je smartphone misschien al na tien seconden weggooit. Maar de grenzen vervagen. De onderlinge interacties worden door ict steeds dominanter. Daarom moeten we die verschillende werelden in de praktijk bij elkaar brengen. Deze werelden worden in feite onderdeel van eenzelfde systeem, dat toekomstvast moet gaan functioneren. Bovendien willen we ze bij elkaar brengen om te voorkomen dat het wiel opnieuw wordt uitgevonden.’

Van Vliet: ‘Van de zelfrijdende shuttle heeft de RDW veel geleerd. Daar bestaat bijvoorbeeld geen voertuigcategorie voor: het is geen bus, het is geen personenauto; de bestuurder is in principe de soft- en hardware. Het voertuig kon alleen rijden op een strak vooraf bepaald traject. Deze manier van ontheffen heeft geleid tot een veel intensievere samenwerking met alle betrokken partijen.’

 

Samenwerking noodzakelijk

Joëlle bevestigt het beeld van afgeschermde werelden en de noodzaak om samen te werken. ‘De automotive industrie heeft ontwikkelingen van buitenaf, zoals auto’s met internetverbinding, vanuit voertuigveiligheid lang afgehouden. De auto was inderdaad een gesloten systeem en is door nieuwe ICT-technologieën onderdeel van een groter systeem geworden. Daarom houd je dit soort ontwikkelingen niet tegen. Al was het alleen maar omdat je met een navigatiesysteem of smartphone de functionaliteit eenvoudig aan boord brengt. Je ziet dan ook dat de automotive dit soort ontwikkelingen steeds meer omarmt.’ Ook de overheid zoekt steeds meer de samenwerking op met de industrie. In potentie kunnen vele voordelen behaald worden met slimme mobiliteitsoplossingen, zoals minder files en veiliger kruispunten. Een goed voorbeeld is weginformatie. Die staat nu op borden langs de weg. Maar je kunt deze informatie ook in de auto brengen via je navigatiesysteem of smartphone. Daarvoor is samenwerking tussen overheid en fabrikanten van ‘in car’-systemen noodzakelijk. ‘Een navigatiesysteem geeft de snelste route aan’, legt Joëlle uit. ‘Die voert soms door dorpjes. Maar overheden kijken ook naar andere belangen, zoals geluidsoverlast en luchtkwaliteit. De verschillende uitgangspunten moet je in nieuwe systemen bij elkaar brengen.’

Bij de regelgevende instanties in Genève en Brussel wordt hard gewerkt om de ontwikkelingen bij de voertuigfabrikanten bij te houden. Van Vliet: ‘De fabrikanten hebben altijd voorop gelopen bij de regelgeving. Maar door de technologische mogelijkheden gaan de ontwikkelingen sneller. Uitdagingen zijn bijvoorbeeld cybersecurity en online updates. Een voertuig dat vandaag wordt goedgekeurd, is morgen vanwege een sofwareupdate een volledig andere auto.’

 

Demonstreren, experimenteren, testen

Het samenbrengen van de gescheiden werelden vergt een omslag in ons denken en doen. ‘We komen uit een wereld van voorspelbaarheid en maakbaarheid’, aldus Dirk-Jan. ‘Maar innovatie werkt anders. Die laat zich niet sturen door key performance indicators of managementcontracten. Innovatie is een kwestie van demonstreren, experimenteren en testen, en daar lessen uit trekken.’

 

Consequenties

Testen in samenwerking is om nog een andere reden essentieel. De ontwikkelingen op het gebied van smart mobility en het inpassen daarvan in mobiliteitssystemen verlopen gefaseerd, van conceptfase via realisatiefase naar opschalingsfase. Hoe verder een ontwikkeling zich in dit proces bevindt, hoe groter de consequenties zijn als toepassingen of systemen niet goed blijken te functioneren, bijvoorbeeld voor consumentenacceptatie, investeringen of veiligheid. Door in samenwerking te testen kun je dit soort risico’s beheersen.

 

Urgentie

Een ander argument om bij het testen samen te werken is volgens Dirk-Jan de urgentie: ‘Onderzoek en ontwikkeling verlopen traditioneel secuur en voorzichtig, en dus traag. Maar we hebben haast, want onze taak is fors. De filedruk en het aantal verkeersdoden neemt toe, en we hebben een gigantische klimaatopgave. Smart mobility moet dus snel gaan leveren. Door in samenwerking te testen kunnen we een aantal stappen tegelijk zetten. Testen is overigens geen doel op zich, maar een middel om goede, betrouwbare mobiliteitssystemen te realiseren, op te schalen en te importeren in de running business.’

 

Krachten bundelen

Wat betekent samenwerking op het gebied van testen in de praktijk? ‘Het is een kwestie van organiseren en programmeren. Aan de hand van de implementaties die we de komende jaren willen realiseren, gaan we testen doen die antwoorden geven op onze vragen’, aldus Joëlle. ‘Verder gaan we in Nederland onze versnipperde testcapaciteit bundelen: met alles wat we op het gebied van testen in huis hebben gaan we ervoor zorgen dat we goed op elkaar zijn ingespeeld, zodat we gezamenlijk een interessante en sterke testaanbieder kunnen zijn over de hele keten.’

 

Pragmatisme

Daarbij moeten we pragmatisch te werk gaan, vindt Dirk-Jan. ‘We gaan dus niet een ingewikkeld traject starten, waarbij we alle testaanbieders langs de meetlat leggen en precies kijken wie wat doet. Als een autofabrikant in Nederland wil testen kijken we gewoon hoe we die maximaal kunnen bedienen.’

 

Kennisinstellingen

Dirk-Jan benadrukt daarnaast dat krachtenbundeling van testaanbieders ook van belang is om de complementariteit te bevorderen, van elkaar te leren en de contacten met kennisinstellingen te versterken. ‘Mobiliteitsvraagstukken zijn ingewikkeld. Daar hebben we de wetenschap bij nodig.Een mooi voorbeeld is het voorspellen en simuleren van de effecten bij opschaling van slimme mobiliteitsoplossingen. In Nederland ontwikkelen we daar met SimSmartMobility een omgeving voor. Simuleren is ook een onderdeel van de testketen. En als de testaanbieders nauwer met elkaar samenwerken zijn er meer mogelijkheden om langdurige programma’s bij universiteiten op te zetten.’